Nieuwe uitgave

The Public Interior as Idea and Project

Redactie, geplaatst op 6 december 2016

thepublicinteriorlow_220x311
De aanleiding voor de publicatie The Public Interior as Idea and Project is een lezingenserie die beeldend kunstenaar en architect Mark Pimlott gaf aan studenten van de TU Delft, tijdens de opleiding ‘The Architecture of the Interior’. Pimlott stelt dat het interieur een publieke zaak is, en interieurarchitectuur een essentiële ontwerpdiscipline. Het publieke domein is volgens de auteur bepalend voor de ervaring van onze gebouwde omgeving. Vooralsnog wordt de definitie van het publieke interieur geïnterpreteerd als de binnenkant van publieke gebouwen. Volgens Pimlott is deze interpretatie te beperkt. Het interieur is een onlosmakelijk onderdeel van onze leefwereld en daarmee per definitie publiek, zelfs wanneer het om een private omgeving gaat. The Public Interior as Idea and Project verkent deze stelling aan de hand van een zestal thema’s, geïllustreerd met talrijke voorbeelden: Het Paleis, De tuin, De Ruïne, De schuur, Het Netwerk en De Machine. Deze typologieën zijn essentieel wanneer het om interieurarchitectuur gaat in relatie tot cultuur en gebruik.

The Public Interior as Idea and Project is een vervolg op het in 2007 verschenen Without and Within: essays on territory and the interior.

Mark Pimlott (1958) is beeldend kunstenaar en architect. Hij studeerde architectuur aan de McGill University in Montréal en aan de AA in Londen, en visuele beeldende kunst aan de Goldsmiths College in Londen. Van 2002 tot 2008 was hij als professor verbonden aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Momenteel is hij als assistent professor verbonden aan de TU Delft, Faculteit Bouwkunde, The Architecture of the Interior.

Eerder verschenen publicaties van zijn hand zijn Without and within: essays on territory and the interior (episode publishers, 2007) en In passing: Mark Pimlott photographs (Jap Sam Books, 2010).

Pimlott realiseerde onder meer de volgende projecten: Neckinger Mills interiors, Londen (1988; 1994); Red House interiors, Londen (2001; 2004; 2011; 2014) in samenwerking met Tony Fretton architects; Guinguette, Birmingham (2000); La scala, Aberystwyth (2003); restaurant Puck, Den Haag (2007), in samenwerking met Zeinstra Van Gelderen architecten; en World, een openbaar plein grenzend aan de BBC’s Broadcasting House in het centrum van Londen (2013).

Solo tentoonstellingen zijn bijvoorbeeld Studiolo en 1965 (Todd Gallery, Londen (1995; 1998); Ich bin der Welt abhanden gekommen (NAi, Rotterdam, 2005) en All things pass (Stroom, Den Haag, 2008). De installatie Piazzasalone (in samenwerking met Tony Fretton) werd gepresenteerd in the Corderie dell’Arsenale tijdens de 12de Biennale internazionale di Architettura di Venezia, curator Kazuyo Sejima (2010).

The Public Interior as Idea and Project is verschenen bij Jap Sam Books.

photo_350x525

Nieuws

Literair programma Beurs van Bijzondere Uitgevers

Redactie, geplaatst op 4 december 2016

guus Bauer
Komende zondag 11 december, op de Beurs van Bijzondere Uitgevers, interviewt Guus Bauer vanaf 15.00 uur een aantal literaire gasten in de kelderfoyer van Paradiso. 

Arjen Fortuin schreef een boek over Van Oorschot, een van de succesvolste en spraakmakendste uitgevers van de vorige eeuw. Elly Kamp publiceerde afgelopen jaar een dubbelbiografie over het echtpaar Bordewijk en hun haast symbiotische relatie. David de Poel bundelde het nagelaten werk van Frans Pointl, die grote bekendheid verwierf met zijn verhalenbundel De kip die over de soep vloog. Susan van Oostveen van Uitgeverij Pegasus vertelt over de Slavische Cahiers en specifiek Havel, die als de grondlegger van het absurdistisch theater in het voormalige Tsjechoslowakije wordt beschouwd. Marc Vleugels van Uitgeverij Vleugels doet een boekje open over de Franse alleskunner – waaronder schrijver en jazz-trompetist – Boris Vian en zijn controversiële werk. En Eppo van Nispen tot Sevenaer (Stichting CPNB​) komt praten over het jaar van het boek 2016.

Boris VianBoris Vian

Nieuwe uitgave

De Moker

Redactie, geplaatst op 4 december 2016

Moker voorzijde
De Moker
is een facsimile uitgave van het anarchistische jongeren blad De Moker en het onderlinge discussieblad De Pook, uitgebracht door Kelderuitgeverij. De uitvoerige inleiding is gebaseerd op de publicaties van en over De Moker maar ook op een groot aantal, rond 1980 gevoerde, gesprekken met vroegere Mokerleden.

Wij zullen niet vragen of de inhoud van De Moker gewild is bij de nieuwe priesters, parasieten van den arbeid. Het kan, dus het moet, als een mokerslag klinken in hun ooren dat wij, wij jongeren, het langer verdommen ons achter het vieze, gore gedoe van de ouderen uit de beweging te scharen. … Een ieder moet weten dat wij zijn gezaglooze, goddelooze, havelooze en ’t liefst werklooze in deze samenleving, en dat wij van dat ethisch religieuze gedoe ook geen liefhebbers zijn.

De Moker, opruiend blad voor jonge arbeiders was het propagandablad van de meest radicale anarchistische jeugdbeweging die Nederland gekend heeft. Radicaal in een totaal afwijzen van het militarisme, het kapitalisme en burgerdom en in een felle kritiek op socialisten, communisten, vakbondsbonzen èn op anderen uit de anarchistische beweging. Maar vooral waren deze jongeren radicaal in hun levenswijze, in de manier waarop ze hun kritische geluid lieten horen en in hun aandachttrekkende acties.

Van hun fraai vormgegeven blad De Moker verschenen 37 nummers in de periode van 1923 tot 1928. De Pook, orgaan tot onderlinge oprakeling was het interne discussieblad van de Mokergroepen. Het bevat de verslagen van de roerige driemaandelijkse vergaderingen en de jaarlijkse Pinkstermobilisaties.

Omdat wij niet aan deze maatschappij willen ten ondergaan, moet deze maatschappij aan ons ten ondergaan. Lezer, omdat wij niet door uw misdadig dulden willen ondergaan, moet gij door ons ten onder gaan. Wij zijn het oordeel. Wij zijn het leven. Wij zijn de vernieuwing. Wij zijn de herziening. WIJ ZIJN DE REVOLUTIE.

Ga niet in militaire dienst, ga niet in de gevangenis

Werken is misdaad

Weg met de bonzen

Recensie

Ambtsbericht

Door Guus Bauer, geplaatst op 3 december 2016

havel
In februari 1989 werd de Tsjechische dissident-toneelschrijver Václav Havel nog tot acht maanden cel veroordeeld vanwege zijn deelname bij de demonstratie rond de herdenking van de dood van suikerbakker Jan Palach die zichzelf op 19 januari 1969 in Praag in brand stak uit protest tegen de bezetting door de Warschaupacttroepen.

Aan het eind van 1989 was Havel de eerste president van het net van het socialisme bevrijdde Tsjecho-Slowakije. Een ommezwaai die hem een bijna Nelson-Mandela-achtige verering opleverde. Iets waar hijzelf nogal de spot mee kon drijven. Hij was een Boheem bij uitstek, die genoot van zijn biertje en zijn sigaretje. Het laatste althans totdat er een long bij hem weggenomen moest worden. De verschillende periodes die hij doorbracht in de vochtige kelders van de communisten hebben zijn gezondheid verslechterd. In 1983 had hij in de gevangenis bijna het loodje gelegd en werd voortijdig vrijgelaten.

De burgerlijke ongehoorzaamheid van de Fluwelen Revolutie van 1989, het idealisme, de democratische hoop, een sentiment dat je zou kunnen aanduiden als een tweede Praagse lente, maakte al snel plaats voor een gevoel van intense onvrede, zoals bekend een goede voedingsbodem voor populisten. Heden ten dage een wereldwijd fenomeen met een behoorlijk ongewis einde. Je zou haast een vergelijking trekken met de crisistijden in het begin van de vorige eeuw.

Ver voordat Havel een van de belangrijkste initiatiefnemers zou worden van de burgerrechtenbeweging Charta 77, schreef hij al meerdere toneelstukken waarop de censuur de tanden kapot beet. Het toneelstuk Het ambtsbericht (1965) is nu voor het eerst door nestor Kees Mercks in het Nederlands vertaald en uitgebracht in de Slavische Cahiers van uitgeverij Pegasus. Een eerste stap in de goede richting, want veel toneelwerk van Havel is nog onvertaald.

Totalitaire systemen eigenen als eerste de taal toe. Denk maar eens aan de ronkende teksten die de arbeidersstaat en hun leiders langs de kant van de weg verheerlijken. In Het ambtsbericht schetst Havel in twaalf aktes een willekeurig kantoor, ontegenzeggelijk een overheidsinstelling. Maar hij noemt niets bij naam, schampt langs de werkelijkheid, vergroot het vakkundig uit. Al is het niet ver bezijden de toenmalige waarheid van alle dag. En juist dat zal de censoren veel hoofdbrekens hebben bezorgd, wetende dat ze doorgaans ironie niet goed kunnen plaatsen. Het toneelstuk heeft een duidelijke ondertoon, een komische aanklacht tegen de willekeur, tegen de absurditeit van het systeem, van de dagelijks werkelijkheid. De schijnwereld waarin geen nuances mogelijk zijn. Bevel is bevel.

Havel neemt de machtsgreep naar de taal letterlijk. De adjunct-directeur van het kantoor heeft eigenmachtig een nieuwe dode taal ingevoerd, het zogenaamde Ptydepe. Woorden in die taal lijken niet meer op elkaar zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan over de ware bedoelingen van de tekst. De ambtenaren reageren gedwee, maar langzaam sluipen er eigen interpretaties in de taal, wordt deze als vanzelf weer levend, genuanceerd.

De directeur kan een ambtsbericht niet lezen en probeert her en der een vertaling los te krijgen. Hij stuit op onwil, op bureaucratie. De directeur en de adjunct wisselen meermaals van baan. Er ontstaat een hilarisch spiegelgevecht met de adjunct. Vooral – waarschuwing, een spoiler – als je bedenkt dat er in het bericht staat dat de taal van hogerhand beslist niet mag worden ingevoerd. De directeur ondertekent verklaringen en wordt daar later mee om de oren geslagen. De papieren liegen zogenaamd niet. Maar de ware aard achter de mededeling ontbreekt. Ze dienen alleen om uiteindelijk schuldigen te kunnen aanwijzen.

Wanneer Ptydepe goed functioneert, hebben ze altijd nog tijd genoeg er hún verdienste van te maken, wanneer het niet goed functioneert, kunnen ze er altijd nog afstand van nemen en dan krijgen lagere instanties er de schuld van.

De directeur is een humanist die tegen de bierkaai vecht, tegen de vervreemding, de depersonalisering van de mens door de ambtelijke taal, door het systeem. Spontaniteit is verboden. De adjunct is een valserik, maar ook iemand die wel initiatief durft te tonen, wetende dat het niet anders dan op een fiasco kan uitlopen. Het ambtsbericht is een toneelstuk vol heerlijke paradoxen. Al ver voor de Engelse sitcom The office en Debiteuren Crediteuren van Jiskefet, geeft Havel in dit toneelstuk een droge weergave van het kantoorleven, van de hebbelijkheden en onhebbelijkheden van de geplaagde mens.

In de directeur is de schrijver zelf te vinden, de humanist die tegen beter weten in het gevecht met verstand en moraal aangaat. De intellectueel vol met twijfels en bedenkingen. Maar waar de directeur vlug concessies doet, te makkelijk toegeeft bij dreigementen, was Havel in het dagelijkse leven standvastig, bracht hij de moed op om zijn eigen taal te blijven schrijven en spreken.

In Het ambtsbericht geven de machthebbers natuurlijk niet op. Ze introduceren gewoonweg nog een nieuwe taal, maatregel op maatregel. In deze taal lijken de woorden bijna allemaal op elkaar. Zodat wanneer een secretaresse een letter verkeerd tikt, een vergadering op een andere dag plaatsvindt. Wanneer het later is hebben de heren meer bedenktijd, wanneer het eerder is wordt de kwestie sneller opgelost. Het ambtsbericht is een tragikomedie over de ontwrichting van de mens door een systeem.

Het ambtsbericht is het 27e deel in de serie Slavische Cahiers van Uitgeverij Pegasus. In de Slavische Cahiers verschijnen minder bekende werken, soms in tweetalige uitgave, uit de Slavische literaturen.